“Mijn huis is een fort”

Zuid-Holland kent de meeste probleemwijken van Nederland.* Wellicht is het raadzaam om het probleem provincaal op te lossen in plaats van gemeentelijk. De vraag is alleen hoe urgent de problematiek is. Want hoe onveilig voelen de inwoners zich eigenlijk? Een serie.

 

Deel 1: De Schilderswijk in Den Haag

 

foto 2

 

“Ik voel me hier nooit onveilig”, vertelt Ilham (23). De Marokkaanse vrouw woont al haar hele leven in de slechtst bekendstaande Haagse wijk die er is. “Af en toe is er een opstootje, maar dat heb je overal. Er wonen hier heel veel verschillende culturen bij elkaar en dat gaat prima.” Ze snapt dan ook niets van alle ophef die de media maken. Is ze dan nooit bang? “Als ik ’s nachts alleen over straat moet meer dan als ik met de auto ben, maar dat heeft niks met deze wijk te maken, dat heb ik altijd.”

 

Even verderop, langs een gracht, krabt Johannes van der Zwan (74) een laagje ijs van zijn autoruiten. Hij woont al zo’n 58 jaar in de Schilderswijk. “De eerste 25 jaar woonde ik aan de andere kant van deze wijk, en toen voelde ik me nooit niet onveilig”, verklaart hij. “Iedereen kon elkaar. Er hingen touwtjes met een loper eraan door de brievenbus, zodat iedereen makkelijk bij elkaar naar binnen kon. Maar hier, waar ik nu 33 jaar woon, voel ik me niet veilig. Er zijn ook alleen maar allochtonen.” Als het donker is loopt hij niet graag over straat. Op een gegeven moment voelde hij zich zelfs in z’n eigen huis niet meer veilig, omdat hij tot twee keer toe oog in oog stond met bewapende “Marokkaantjes” die hem wilden overvallen. Door hulp van de buren kregen ze die kans niet, maar het heeft Van der Zwans gevoel van veiligheid sterk aangetast. “Maar de politie doet het grandioos. Ze surveilleren en er is veel cameratoezicht.” Ondanks dat heeft hij zijn huis door de jaren heen steeds beter beschermd. Voor de deur hangt een stalen hekwerk en in het huis zijn alarmsystemen gemonteerd. Van der Zwan: “Mijn huis is een fort.”

 

foto 1

 

Wat opvalt, is dat er vrijwel geen autochtone Nederlander op straat te vinden is. In een lange winkelstraat is de diversiteit het grootst, maar ook de schoolpleinen van basis- en middelbare scholen zijn vrijwel volledig bevolkt door allochtonen. In de aula van het Edith Stein College is dat hetzelfde verhaal. Terwijl de secretaresse van de school een ouder opbelt met de mededeling dat de betreffende leerling de vorige dag negen uur absent is geweest en dat het al bij de leerplichtambtenaar is gemeld, vertelt Magzum Asghar (15, derde klas havo): “Ik voel me hier beter dan in een wijk waar alleen maar autochtone Nederlanders wonen. Dat gevoel van onveiligheid dat mensen zeggen te hebben, dat komt door die hangjongeren die vaak allochtoon zijn. Mensen denken dat ze crimineel zijn, maar ze doen helemaal niks.”

 

Hoe gaat een maatschappelijk instituut zoals het Edith Stein College om met het thema veiligheid? “Ten eerste moet er onderscheid worden gemaakt tussen dat wat je extern kunt stutten en dat wat vanuit de organisatie komt”, vertelt rector John Swildens in zijn kamer. “Om met het eerste te beginnen: we hebben cameratoezicht en gesloten deuren met intercom, zodat niet iedereen binnen kan. Maar zolang ik hier iets te zeggen heb komen hier geen detectiepoortjes.” Belangrijker vindt hij wat de school van binnenuit doet. “Een gevoel van veiligheid begint bij jezelf. We zijn een school met zestig nationaliteiten, waarvan afgerond 1 procent autochtoon is. We hebben programma’s die gaan over persoonlijke vorming en leggen we uit dat bijvoorbeeld pestgedrag geen zin heeft, want iedereen is hier anders, jij zelf dus ook.”

Naast Swildens zit Johan van der Laan, de veiligheidscoördinator. “De derdeklassers zijn om beurten stewards: zij houden andere leerlingen in de gaten. En in koppels van twee lossen leerlingen onderlinge conflicten op. De cursus hiervoor werd gegeven door professionals van buitenaf. Wat hier op microniveau gebeurt, is de ideale voorbereiding op de echte maatschappij”, aldus Van der Laan.

 

foto 3

 

Een eindje van de school vandaan, aan de rand van de wijk, zit slagerij Ensing.  Het echtpaar Gerda en Eus Ensing runnen al 47 jaar de slagerij. Beiden kennen geen onveilig gevoel in de wijk. “Er is veel cameratoezicht en er rijdt regelmatig politie langs”, zegt Eus. “En we hebben hier veel messen”, voegt hij er grappend aan toe. Gerda: “Vroeger waren hier wel veel junks, maar de laatste tijd gaat het juist erg goed.”

De slagerij staat te koop. Het is tijd voor hun pensioen. “En onze afzetmarkt is enorm gedaald”, vertelt Eus. “We krijgen ons varkensvlees niet verkocht aan mensen met moeilijke achternamen.”

 

 *Op basis van de lijst probleemwijken van voormalig minister Ella Vogelaar.

 

“Mijn huis is een fort”
Sebastiaan van Loosbroek